Deze website gebruikt cookies

FINEKO gebruikt cookies om uw bezoek aan deze website aangenamer te maken. Door onze website te bezoeken gaat u akkoord met het gebruik van cookies.

Wil u meer weten over cookies of cookies blokkeren?
Hervorming van de vennootschapsbelasting: UPDATE, 22/03/2018, Archief artikels · Onze nieuwsbrief - Fineko
SELECT afbeelding1, afbeelding2, afbeelding3, afbeelding4, afbeelding5 FROM menu WHERE 1 AND id="122"
Fineko ē nieuwsbrief ē archief artikels

Hervorming van de vennootschapsbelasting: UPDATE

Het zomerakkoord 2017 werd een kerstakkoord want het mondde uiteindelijk uit in de Wet van 25 december 2017 tot hervorming van de vennootschapsbelasting.

Hieronder vindt u een update van de belangrijkste maatregelen die we besproken hebben in onze nieuwsbrief van 11 augustus 2017.  

De belastinghervorming wordt in meerdere fases ingevoerd. De eerste fase gaat in vanaf aanslagjaar 2019, voor zover het boekjaar ten vroegste op 1 januari 2018 aanving. We concentreren ons hierna vooral op de maatregelen die dit jaar in werking treden.

Verlaging van de tarieven +

Vanaf dit jaar daalt het basistarief vennootschapsbelasting van 33% tot 29% en vanaf 2020 tot 25%. Het verlaagd KMO-tarief wordt vanaf 2018 verlaagd tot 20% op de eerste schijf van € 100.000. De toepassing van het verlaagde KMO-tarief is (en blijft) wel afhankelijk van het naleven van een aantal voorwaarden.

De crisisbijdrage (ACB), wordt verlaagd van 3% naar 2% voor 2018 en 2019 en wordt afgeschaft vanaf 2020.

Samengevat (met inbegrip van ACB):

  2017 2018 & 2019 Vanaf 2020

Basis- tarief

33,99%

29,58%

25%
KMO-tarief

Winst ≤ € 322.500:

  • 24,25%: schijf tot 25.000
  • 31%: schijf van 25.000 tot 90.000
  • 34,50%: schijf van 90.000 tot 322.500

Winst ≤ €100.000                   

20,40% 

Winst ≤ €100.000                   

20%

 

Positief hierbij is dat het verlaagde tarief voor alle KMO-vennootschappen geldt, ook voor KMO’s met meer dan € 100.000 belastbare winst. Enkel het deel van hun winst boven € 100.000 wordt dan belast tegen het gewoon tarief.

Voor welk belastbaar tijdperk?

De tariefdaling gaat in vanaf 1 januari 2018 en is van toepassing vanaf aanslagjaar 2019 voor zover het belastbaar tijdperk ten vroegste aanving op 1 januari 2018. Dat betekent in mensentaal dat de tariefverlaging voor vennootschappen met een boekjaar dat verbonden is aan aanslagjaar 2019 maar reeds voor 1 januari 2018 is aangevangen, een boekjaar later ingaat. Dit is bijvoorbeeld het geval voor vennootschappen opgericht in de loop van 2017 met een verlengd eerste boekjaar dat afsluit op 31 december 2018.

Als het boekjaar van uw vennootschap bijvoorbeeld loopt van 1 juli tot en met 30 juni van het daarop volgende jaar, dan zal de tariefverlaging pas ingaan voor het boekjaar dat aanvangt op 1 juli 2018 en eindigt op 30 juni 2019.

 

Verhoging minimumbezoldiging – bijzondere aanslag -

Eén van de reeds bestaande voorwaarden om te kunnen genieten van het verlaagde KMO-tarief bestond erin dat aan minstens één bedrijfsleider (natuurlijke persoon) een bezoldiging van minimum € 36.000 op jaarbasis moet uitgekeerd worden.

Om het gebruik van vennootschappen - met lagere tarieven dan de personenbelasting - te ontmoedigen wordt het bedrag van de minimale bezoldiging verhoogd van € 36.000 naar € 45.000.

  • Uitzondering 1: indien de belastbare winst kleiner is dan € 45.000, dan moet de minimale bedrijfsleidersbezoldiging minstens gelijk zijn aan het belastbaar resultaat van de vennootschap.
  • Uitzondering 2: startende ondernemingen (gedurende de eerste 4 boekjaren)

Wanneer een vennootschap (al dan niet KMO) niet aan ten minste één van haar bedrijfsleiders (natuurlijke personen) een bezoldiging toekent  die ten minste gelijk is aan ofwel € 45.000 ofwel het belastbare resultaat, indien dit kleiner is, zal zij onderworpen zijn aan een bijzondere aanslag van 5% . Er geldt evenwel een uitzondering voor startende ondernemingen tijdens de eerste vier belastbare tijdperken vanaf hun oprichting . Deze bijzondere aanslag wordt vanaf 2020 verhoogd naar 10 %.

De bijzondere aanslag wordt geheven op het verschil tussen de effectief uitgekeerde bezoldiging en € 45.000 en is aftrekbaar als beroepskost. Stel dat een vennootschap € 30.000 bezoldiging toekent aan een bedrijfsleider terwijl dit € 45.000 had moeten bedragen, dan betaalt deze vennootschap als sanctie een bijkomende belasting van € 750,00 ((€ 45.000 – € 30.000) x 5 %).

Gelet op het feit dat de vergoeding moet betaald worden aan een bedrijfsleider natuurlijke persoon zal de afzonderlijke aanslag steeds verschuldigd zijn wanneer de vennootschap enkel rechtspersonen als bedrijfsleider heeft. De afzonderlijke aanslag is dan volledig verschuldigd en bedraagt € 2.250 voor de aanslagjaren 2019 en 2020 en € 4.500 vanaf aanslagjaar 2021.

Voor verbonden vennootschappen waarvan ten minste de helft van de bedrijfsleiders dezelfde personen zijn in ieder van deze betrokken vennootschappen, kan om de hoogte van de bezoldiging te bepalen het totaal van de door deze vennootschappen aan één van diezelfde bedrijfsleiders gestorte bezoldigingen gezamenlijk in aanmerking worden genomen. Het totaal bedrag van de minimum bezoldiging wordt in dat geval op € 75.000  gebracht. Indien dit drempelbedrag niet behaald wordt is de bijzondere aanslag verschuldigd door de groepsvennootschap met het hoogste belastbaar resultaat.

Om na te gaan of ten minste de helft van de bedrijfsleiders dezelfde personen zijn, moet abstractie gemaakt worden van de bedrijfsleiders/rechtspersonen .

 

Verhoging van de investeringsaftrek +

De gewone investeringsaftrek stijgt van 8 % naar 20% voor investeringen gedaan tussen 1 januari 2018 tot 31 december 2019.

 

Aanpassing notionele interestaftrek (NIA) -

Van de NIA blijft na de hervorming nog bitter weinig over.

Het in aanmerking te nemen risicokapitaal is vanaf aanslagjaar 2019 gelijk aan één vijfde van het positieve verschil tussen het jaarlijks bedrag van het risicokapitaal aan het einde van het belastbaar tijdperk en het jaarlijks bedrag van het risicokapitaal aan het einde van het vijfde voorgaande belastbare tijdperk.

Een eenvoudig voorbeeld kan de nieuwe berekeningswijze verduidelijken :

Jaar

Risicokapitaal

N-5

100.000

N-4

120.000

N-3

140.000

N-2

100.000

N-1

120.000

N

160.000

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het risicokapitaal van jaar N zal (160.000 – 100.000)/5 of 12.000 bedragen.

Onder de vroegere regels zou het risicokapitaal 120.000 bedragen!

Gelet op het huidige lage tarief van de NIA (0,746 %/1,246 % voor KMO's voor aanslagjaar 2019) is de NIA verworden tot een druppel op een hete plaat.

 

DBI +

De aftrek van definitief belaste inkomsten (DBI), dit zijn door een vennootschap ontvangen dividenden, werd verhoogd van 95% naar 100 %, mits voldaan wordt aan de bestaande voorwaarden.

 

Minimumbelasting -

Vennootschappen (KMO’s en niet-KMO’s) die vanaf 2018 meer dan € 1.000.000 belastbare winst maken, mogen een aantal aftrekposten niet langer onbeperkt gebruiken om daarmee hun belastbare basis weg te werken. Vorige verliezen, overgedragen DBI, overgedragen aftrek voor innovatie-inkomsten, overgedragen NIA en NIA “nieuwe stijl” worden voortaan jaarlijks beperkt.

Het deel van de winst boven € 1.000.000 kan maximaal met 70% verminderd worden door fiscale aftrekken. Concreet betekent dit dat 30% van de winst boven de € 1.000.000 een minimale belastbare basis in de vennootschapsbelasting zal vormen. Niet-KMO’s die hun fiscale aftrekposten optimaal gebruiken zullen op de winst boven € 1.000.000 in 2018 en 2019 bijgevolg altijd 8,87% betalen (i.e. 29,58% x 30%) en vanaf 2020 7,5% (i.e. 25% x 30%).

Voor startende vennootschappen worden de overgedragen verliezen niet beperkt gedurende de eerste vier boekjaren.

 

Kapitaalverminderingen -

Vanaf 1 januari 2018 kan een kapitaalvermindering niet langer vrij van roerende voorheffing gebeuren indien de vennootschap op haar balans ook bepaalde reserves heeft staan. De kapitaalvermindering wordt pro rata aangerekend worden op die reserves. Het gaat concreet om:

  • belastingvrije reserves in het kapitaal
  • belaste reserves in het kapitaal
  • gewone belaste reserves (inclusief overgedragen winsten)

Wettelijke reserves, gewone of bijzondere liquidatiereserves of onbeschikbare reserves blijven buiten schot.

Ook het kapitaal dat in 2013 of 2014 werd “vastgeklikt” mits betaling van 10 % roerende voorheffing valt niet onder de nieuwe maatregel. Deze kapitalen kunnen nog steeds belastingvrij worden uitgekeerd, tenminste wanneer de minimum periode van vier jaar (KMO) of acht jaar (grote vennootschappen) verstreken is.

 

Voorwaarden vrijstelling meerwaarden op aandelen verstrengd -

In hoofde van vennootschappen zijn meerwaarden op aandelen nog slechts vrijgesteld zijn wanneer voldaan is aan de participatievoorwaarde die momenteel ook geldt bij ontvangen dividenden (zogenaamde DBI-voorwaarde).  Meer bepaald zijn meerwaarden op aandelen nog slechts vrijgesteld indien het gaat om een participatie van minstens 10 % of met een aanschaffingswaarde van minstens € 2.500.000.

 

Effectieve belasting op supplementen bij controle -

Indien naar aanleiding van een controle de belastbare basis verhoogd wordt, zal die belastbare basis voortaan niet meer kunnen verminderd worden met aftrekbare bestanddelen (met uitzondering van de DBI-aftrek van het betrokken boekjaar).

Deze maatregel moet er toe leiden dat belastingsupplementen steeds belast worden, ook al heeft de betrokken vennootschap bijvoorbeeld nog fiscaal overdraagbare verliezen.

Deze bepaling zal evenwel slechts worden toegepast in geval van effectieve toepassing van een belastingverhoging van minstens 10%.

 

Voorafbetalingen -

Om bedrijven er toe aan te zetten vooraf te betalen, wordt de vermeerdering wegens onvoldoende voorafbetaling in 2018 gebracht op 6,75 %.

 

Vooruitbetaalde kosten -

Vanaf dit jaar zijn kosten verbonden aan activiteiten of inkomsten van het volgende boekjaar slechts in dat volgende boekjaar fiscaal aftrekbaar. Vooruitbetaling en tenlasteneming van toekomstige kosten (bijvoorbeeld: het vooruitbetalen van de huur) zou derhalve fiscaal niet langer mogelijk zijn.

 

Voorziening voor risico’s en kosten -

Inzake vennootschapsbelasting blijft de vrijstelling voor voorzieningen voor risico’s en kosten bestaan maar enkel voor risico’s en kosten die voorvloeien uit op balansdatum bestaande contractuele, wettelijke of reglementaire verplichtingen andere dan de verplichtingen die voorvloeien uit de toepassing van de wetgeving op de boekhouding en de jaarrekening.

Het is dus niet meer mogelijk om een voorziening aan te leggen voor herstellingen en groot onderhoud omdat dergelijke kosten vrijwillig worden gemaakt en onder meer afhankelijk zijn van de uiteindelijke beslissing om de kost al dan niet te doen.

De nieuwe regeling geldt niet voor voorzieningen of toevoegingen aan voorzieningen die zijn aangelegd in belastbare tijdperken die aanvangen vóór 1 januari 2018.

 

Taxatie van herbeleggingsmeerwaarden -

Herbeleggingsmeerwaarden die belastbaar worden wegens het niet (tijdig) naleven van de herbeleggingsverplichting of spontaan belastbaar worden gesteld vóór het verstrijken van de herbeleggingstermijn, worden onderworpen aan het tarief dat van toepassing was in het belastbaar tijdperk waarin de meerwaarde verwezenlijkt werd.

 

Autokosten

De aftrek van autokosten is in de vennootschapsbelasting afhankelijk van de CO2-uitstoot van de wagen. Deze regel geldt voortaan ook in de personenbelasting ten aanzien van na 1 januari 2018 aangeschafte voertuigen.

De aftrekbeperking van autokosten is voortaan niet meer van toepassing ten aanzien van kosten die aan derden worden doorgerekend, mits deze kosten uitdrukkelijk en afzonderlijk op de factuur zijn vermeld.

In een latere fase (vanaf aanslagjaar 2021) zal de aftrek van de autokosten verder worden beperkt.

 

Bart Vandeloo & Katrien Caers

Fiscaal juristen

 

created & CMS
by Deltacom